Optisch schoon

De een zit al sinds ik hier zit een CV van lettertype te veranderen en de ander wisselt de tabbladen Facebook en Gmail minutieus af. Er wordt melk opgeschuimd en er klinkt gekletter van koppen en lepeltjes. Ik zit in het kantoor van stadse flexmensen: de koffiebar. En ook ik zit te doen alsof ik werk. Ik tik dit stukje, waardoor Microsoft Word mijn sociale media-pagina’s verstopt.
Alleen zit ik hier met Baby Covers naast me in de wagen, omdat hij ergens een dutje moet doen en dat thuis nu even niet kan. Ik ben met kind het huis ontvlucht en moet nog drie uur buiten blijven, omdat familie Covers nu definitief het land der decadente volwassenen is binnengestapt: we hebben een poets. En als die poetst kan ik niet thuisblijven.

Toen Baby Covers drie weken oud was, was ik fysiek en geestelijk zo wankel als de clown-op-een-bal-met-belletje waar hij nu drie maanden later zo graag naar kijkt. En toen ging de vaatwasser stuk. Een kind voorzien van moedermelk en bijna nooit slapen ging nog net, maar dat ik ineens de afwas weer zelf moest doen, dat was precies de druppel. De wiebelclown viel om. De emmer overstroomde, mijn ziel liep leeg.

Sindsdien is de huishygiëne een treurige bedoeling en komen we niet verder dan schadeherstel en opruimen-wat-er-net-gebruikt is. Ook al knapte ik ook vanbinnen op, mijn huis werd alleen maar optisch schoon. Tijd met een baby is kostbaar. En stofzuigen of slapen is een keuze die, ja… het laat zich raden.

Tot we begonnen te struikelen over stofnesten en ons realiseerden dat Baby Covers daar over een maandje of wat doorheen moet kunnen kruipen. Dit volslagen gebrek aan volwassen verantwoordelijkheid moest worden opgelost.  Het werd tijd voor the grown up thing to do. Iemand bellen. Hulp. Want we zijn echt kleine kinderen en we kunnen het niet alleen.

En nu zit ik dus heel ongemakkelijk niet thuis te zijn, want ik weet niet hoe ik me tot de heldin moet verhouden (‘sorry voor de rommel’), maar ik moet haar straks wel allemaal geld geven. Dan maar bezuinigen. Dan maar wat minder consumeren in de horeca, zodat we de heldin kunnen blijven betalen.

Die zin typ ik terwijl ik twijfel tussen een tosti geitenkaas of iets met zuurdesem en notenspread.

Iets gaat hier niet goed.
Nog een uur te gaan.

 

Kleur

Wit moest het zijn. Alles. Wit. De doeken, de lakentjes, de kastdeuren en commodeblad. Ik kocht rompertjes, pakjes-uit-een-stuk, mutsjes, sokjes, allemaal verkleinwoordjes in het wit. Gebroken wit, of een grijs vogeltje in de print kon nog net. En eventueel een uitstapje naar pastel, maar de kleur moest toch vooral de afwezigheid ervan zijn. Witte handdoek, witte muur. Een echte nursery.

“Kleur” verder lezen

In Verona

“Wat gaan we hier eigenlijk doen?”

Het is lang stil. Mijn T-shirt zit tegen mijn rug geplakt. Natte stof op huid. In de geul tussen mijn schouders druipt zweet naar beneden, het jeukt, alsof er woon-werkverkeer van een colonne mieren plaatsvindt op mijn ruggengraat.
Mijn schouders zijn minstens zo nat, alleen druipt daar niks, daar ligt en dampt en ruikt het.
Het bankje kleeft vast aan mijn benen. Latex, zout, huid, hitte, vocht, het heeft allemaal een zuigende werking op elkaar, op mij. Ik trek mijn knieholtes los van de zitting en ga verder naar voren zitten, zodat alleen mijn korte broek de bank nog raakt.
Uit mijn rugzak haal ik een fles bronze sunscreen factor dertig en ik smeer mijn gezicht vol.
Nu verbrand ik niet en word ik net zo bruin als in de reclame. En zo dun.

“Het zit op je neus.”

Ik veeg, tot ik niets kleverigs meer voel. Mijn neus is heet. Ik wil een ijsje.
Gezinnen met paarse vaders, moeders met family packs kiloknallerappelsap in een rugzak die ze op hun buik dragen die huilend de smeltende ijsjes achter hun kroost oprapen. Kinderen die elkaar om de beurt met een gebroken Nintendo DS in het gezicht slaan. Mannen die een fotocursus hebben gevolgd en de wallen van hun ooit zo schitterende verovering vastleggen naast een leuke fontein, een mooi kerkje, een leuk kerkje en een hartstikke leuke fontein.
Ik ruik een mengsel van bubbelgum, voeten, factor veertig, quatro formaggio en citronella. Families lopen langs. Nederlanders zien er nergens zo Nederlands uit als in het buitenland. Ik zit op een bankje, ontzettend local. Zo local als iemand kan zitten, naast een stomende groene backpack.

“Maar, wat gaan we nu doen?”
”Nou gewoon, we zijn er toch?”

Ik had een kaartje en een boek en een folder en een campinggids en blaadjes vol internetadressen. Alles zat in mijn hoofd, maar ik heb het geheugen van een wasbak: alleen resten blijven liggen, koeken aan en zijn amper weg te poetsen. Wat van belang is, een lens, de pil, een oorbel, verdwijnt door het gat en zie ik nooit meer terug.
Dat ene leuke plekje, dat ene leuke plaatje, dat ene leuke adresje, ik heb geen flauw idee.  Ik ben een backpacker zonder Lonely Planet. Belachelijk. Het beste schepijs ooit moet hier ergens in de buurt zijn. Het balkon. En de trein terug naar huis. Maar we zijn er net. Net tien minuten.

Verona, de stad van de liefde.
De stad waar Romeo zijn Julia zag, overwon, nam, en deed. De stad waar zij door elkaars onoplettendheid, of de onoplettendheid van de kosmos natuurlijk, een ferme dood vonden in de armen van de ander.
Shakespeare is een Brit. Romeo een Italiaan. Shakespeare heeft nog nooit zijn woonplaats verlaten en de Montecci’s hebben niet bestaan. Dus dat iedereen de naam van zijn geliefde in een muur onder een willekeurig balkonnetje krast is net zo’n mysterie als dat bewust genieten tegenwoordig een gangbaar begrip is. Schillen zijn niet lekker, afslankyoghurt ook niet, friet wel.

”Wat is het plan?”

Ik weet van geen plan. Ik ben op reis.

”IJsje halen? Mooi hier, hè?

“In Verona” verder lezen